Wegkijken van de waarheid

door | 23 september 2021

Excessennota, de overgeslagen voorgeschiedenis

 “Vijftig jaar excessennota – De sneeuwbal rolt dan verder” (De Groene 7.11.2019, pp 26 – 31). Wat opvalt in dit artikel van Maurice Swirc over de excessen tijdens dekolonisatie-oorlog in Indonesië, is de vooringenomenheid en eenzijdigheid: geen gewogen verslaglegging maar een inquisitie-requisitoir. Zoals wij dat kennen van de eerdere geschiedschrijving uit de KITLV-stal (bijvoorbeeld Limpach met “De brandende kampongs van generaal Spoor”). Zowel Swirc als de KITLV-school vallen die geschiedenis binnen, midden in het verhaal en zonder zich rekenschap te geven van wat er aan vooraf ging: 

In de eerste maanden van 1942 werd het KNIL in hoog tempo onder de voet gelopen door het Japanse leger. Wat volgde was drie en een half jaar extreme uitbuiting van vooral het platteland dat leeggeplunderd werd ten bate van de Japanse oorlogseconomie. De gevolgen van die uitmergeling zijn, door Amerikaanse historici, omschreven als een ‘demografisch hiaat’ van ettelijke miljoenen mensen, een ‘genocide’: De Japanners hebben naar het zich aan laat zien (gedegen geschiedkundig onderzoek bleef tot nog toe achterwege) in drie en een half jaar militaire bezetting meer Indonesiërs omgebracht of laten omkomen dan de Hollanders in drie en een halve eeuw kolonialisme. De Japanners deden hun vuile werk niet zelf maar organiseerden voor de economische uitpersing van het platteland inheemse hulptroepen, grotendeels stadsjongeren, aanhangers van Sukarno die als leider van het Indische nationalisme een hoofdrol kreeg bij de organisatie van die economische uitbuiting; als ook bij de ronseling van de inheemse werkslaven voor het Japanse leger, de zgn. romoesja’s – een ander verwaarloosd hoofdstuk uit de geschiedenis van Ned. Indië waardoor wij nog steeds niet weten of die slavernij ettelijke tien- danwel honderdduizenden slachtoffers of nog meer gemaakt heeft. Ook over de gang van zaken op het platteland waarbij de knevelarij van de dessaman leidde tot omvangrijke hongersnood en waarbij de inheemse milities waarschijnlijk konden opereren als autonome benden die door hun Japanse meesters werden afgerekend op hun afdrachten, ligt een deken van niet willen weten en dat geldt zowel de Hollandse als de Indonesische historici.

De transformatie van hulptroepen van Japan naar vrijheidsstrijders

Na de capitulatie van Duitsland (mei ’45) werd duidelijk dat Japan de oorlog zou verliezen maar dat de koloniale orde niet in zijn oude vorm zou worden hersteld. Daar was de toezegging in de Zeven December rede (1942) van koningin Wilhelmina over een gelijkwaardig partnerschap in de naoorlogse wereld: De koningin hield haar onderdanen een staatkundige toekomst voor waarin “Nederland, Indonesië, Suriname en Curaçao deel zullen hebben in het bestuur van het geheel, terwijl zij ieder op zichzelf de eigen, inwendige aangelegenheden in zelfstandigheid en steunend op eigen kracht, doch met de wil elkander bij te staan, zullen behartigen”. Deze toezegging – de tekst werd opgesteld door de Minister van Koloniën, Van Mook – was in feite afgedwongen door President Roosevelt die de beëindiging van het Europese kolonialisme als voorwaarde had gesteld voor Amerika’s inbreng in de oorlog tegen de As-mogendheden. De gedachte dat die toekomst in Indonesië een vorm zou kunnen krijgen waarin de ‘loyale’ Indonesiërs samen met de restanten van de oude koloniale economische en bestuurlijke elites de zeggenschap zouden krijgen, en de collaborateurs met de Japanse bezetter, rekenschap zouden moeten geven van hun collaboratie, knevelarijen en onderdrukking, moet voor Sukarno’s volgelingen een nachtmerrie zijn geweest. Een interne coup waarbij minderjarige jongeren Sukarno in feite dwongen de onafhankelijkheid uit te roepen en zo zonder enig democratisch mandaat de bestuursmacht zeker te stellen voor die ‘volgelingen’, met daarnaast de grootschalige overdracht van Japanse wapenrusting door de Japanners die formeel reeds gecapituleerd hadden, stelde Sukarno’s volgelingen in staat de realisatie van die ‘nachtmerrie’ voorshands af te wenden. De onderdrukte dessaman restte niets dan het afwachten van de ontwikkelingen in de hoop op betere tijden. Die bleven vooralsnog uit: Niet de Nederlandse maar de Engelse toepen werden naar Indonesië gedirigeerd om het Japanse leger te ontwapenen en de openbare orde te handhaven. Dat laatste liet te wensen over. De Engelsen waren niet gemotiveerd om het Nederlandse gezag te herstellen (in feite werd de overkomst van Nederlandse troepen actief tegengewerkt) en slaagden er ook niet in de openbare orde en veiligheid te handhaven.

Het Britse intermezzo

Naar objectieve maatstaf beoordeeld waren Sukarno c.s. ‘de facto’ oorlogsmisdadigers. Zij hadden gearresteerd moeten worden om bij de oorlogstribunalen in Tokio naast hun Japanse meesters in de beklaagdenbank te staan – zij werden in plaats daarvan door een bijna ongelofelijke publiciteitsstunt in de internationale media (“George Washington is alive today in Indonesia, his name: Sukarno”) moreel gepromoveerd tot vrijheidsstrijders.

Onder de Engelse ‘caretakers’ hadden Sukarno’s rampokbendes in feite vrij spel: de Bersiap brak los, tienduizenden koloniale Nederlanders, Indo’s en Chinezen die de oorlogsjaren als hongerlijders doorgekomen waren, werden alsnog afgeslacht: mannen, vrouwen en kinderen, vaak op de meest gruwelijke wijze. De Engelse bezettingsmacht wist gewoonlijk niet beter te doen dan de Nederlanders te consigneren in de Jappenkampen om daar door hun vroegere beulen te worden beschermd tegen de Pemuda’s, en ging alleen wanneer te zeer getergd, over tot het platbranden van kampongs. Op West Java, dicht bij Bekasi, moest een Engelse militaire Dakota een noodlanding maken. Die noodlanding gelukte maar de 23 inzittenden van het vliegtuig werd door nationalistische milities gedood, verminkt en geschonden. Een Engelse patrouille kon naderhand slechts de onherkenbare lijken bergen. Als represaille liet de Engelse bevelhebber Christison in het dichtstbijzijnde dorp 600 huizen platbranden. Een oorlogsmisdaad? Soldaten zien niet graag dat van hun maten de genitaliën als trofeeën zijn afgesneden.

De slag om Surabaya werd de cruciale krachtmeting tussen de Engelse troepen en Sukarno’s milities die daarin overigens hun eigen initiatief namen. Surabaya kon alleen met de inzet van complete divisies veroverd worden op de Pemuda’s die vervolgens uitstroomden naar het platteland, waardoor christenen, Chinezen en Indo’s daar hun leven niet langer zeker waren.

Het begin van de instroom van een Nederlandse troepenmacht die een wezenlijk verschil maken kon, duurde tot 1946. Tegen die tijd had Sukarno’s regeringsapparaat zijn onderkomen gevonden in Jogjakarta en beheerste het reguliere Indonesische leger, de TNI, grote delen van Java en Sumatra, samen met lokale milities, deels uit de Japanse bezettingstijd, die al dan niet met dat leger samenwerkten maar in feite als autonome ‘gangs’ konden opereren binnen een eigen territoir: Afspraken over een staakt-het-vuren of overeengekomen demarcatielijnen werden nagekomen wanneer dat schikte en genegeerd als dat beter uitkwam. Niet alle gewapende groepen rekenden zich tot de nationale revolutie, her en der in de archipel opereerden ook voorstanders van lokale of regionale autonomieën, zoals de Soendanezen op West-Java, die soms in de Hollanders bondgenoten zagen tegen het nationale Indonesische leger.

Over wreedheden, gemiste kansen en vooringenomen geschiedschrijving

Met die situatie waarin de toekomst nog alle kanten op kon en goed of fout nog een kwestie van perspectief was, start ongeveer de indoctrinerende ‘expiationistische’ geschiedschrijving van lieden als Limpach, Swirc, Oostindie, de KITLV-school: een geschiedschrijving met in het achterhoofd de thans bekende afloop en de daaraan verbonden oordelen over goed en fout. Die afloop bepaalt dus het nu gangbare oordeel: Oorlogsmisdaden worden gepleegd door de verliezende partij; Westerling is ten onrechte niet veroordeeld als oorlogsmisdadiger, Sutomo daarentegen (een jihadistische leider van de Pemuda’s in Surabaja, de man die zijn ophitsende radioredes begon en afsloot met ‘Alahu akbar’) werd terecht een zwaar gedecoreerde held van de revolutie.

Op zondagavond 12 augustus 2012. (heel Nederland keek naar de Olympische sluitingsceremonie in Londen) had de seniorenzender Max één uur ingeruimd voor de Bersiapexcessen van ’45 in Soerabaja, waar toen de Pemuda’s een schrikbewind voerden dat alle beschrijving tart. Tijdens het verhaal over de Indo-vrouw die op de executieplaats in de sociëteit van Soerabaja (toen het hoofdkwartier van de Pemuda’s) met een gepunte bamboestam vaginaal werd verkracht en gespietst, wilde mijn Surinaamse vrouw niet langer luisteren: “Zet het af. Ik verdraag dit niet. De Hollanders schoten je tenminste nog gewoon dood. Maar dit soort mensen! Alsof ze een gen hebben voor wreedheid”. Zouden de nabestaanden van de Bersiapgruwelen niet ook in aanmerking moeten komen voor de erkenning van hun leed? Of blijven wij meten met twee maten en wordt de geschiedenis van de Nederlandse excessen tijdens de Indonesische oorlog opnieuw geschreven door Nederlandse historici die wegkijken zodra de oorzaak van die excessen, de Indonesische terreur, in beeld komt?

Men zou zich een andere afloop kunnen indenken: Herstel van het Nederlandse gezag, een beleid gericht op economisch herstel en ontwikkeling, een geleidelijke afwikkeling van de soevereiniteitsoverdracht zoals bijvoorbeeld plaatsvond in Brits Oost-Indië (nu de Maleisische Federatie) of in onze West-Indische koloniën. In zo’n scenario zou ook een bestraffing voor de hand gelegen hebben van de nationalistische leiders die samenwerkten met de Japanners en daarmee medeverantwoordelijk waren voor het bovengenoemde ‘demografisch hiaat’, en ook van de inheemse hulptroepen van de Jappen die zich schuldig gemaakt hadden aan de knevelarij van de dessaman.

Vergelijkt men de aantallen slachtoffers van drie en een half jaar Japanse bezetting met die van drie en een half jaar ‘politionele acties’ (1946 tot medio 1949: twee korte offensieve acties, bij elkaar ca. 5 weken echte oorlogvoering; de overige tijd ging op aan lokaal gesteggel over demarcatielijnen en wapenstilstanden die door de irregulieren van Indonesische zijde keer op keer geschonden werden) dan valt het aantal slachtoffers van die tweede drie en een half jaar periode – nu geschat op ca. 100.000 (hoeveel daarvan als gevolg van intra-Indonesische terreur om de loyaliteit aan de republiek af te dwingen?) – in het niet tegen de 3 tot 4 miljoen slachtoffers van de Japanse bezetting.

Opmerkelijk blijft de manier waarop historici als Limpach en Swirc de miljoenen slachtoffers van de Japanse bezetters en hun inheemse hulptroepen bijna zonder vermelding opzij vegen om vervolgens over te gaan tot paginaslange verhandelingen over de juridische beoordeling van de ‘excessen’ tijdens de terreurbestrijding.

De Zuid-Celebes-affaire

Westerlings zuiveringscampagne in Zuid-Celebes, de zgn. Zuid-Celebes-affaire, is hèt aangrijpingspunt voor de aanklagers van Nederlands mislukte pogingen om onze historische verplichtingen jegens Nederlands-Indië op een fatsoenlijke manier af te ronden en aan de nieuwe staat Indonesië een zo gunstig mogelijke start te geven. Over die affaire valt meer te vertellen dan Swirc in zijn Groene artikel doet of eigenlijk nalaat; op een indirecte aanwijzing na: het aanhalen van een excuusuitspraak van mensen uit de omgeving van Van Mook: ‘wat onze mensen deden was altijd nog veel minder erg dan wat de rampokkers deden’.

De aanleiding tot de zuiveringscampagne onder leiding van Westerling was gelegen in een totaal uit de hand gelopen veiligheidssituatie in Zuid-Celebes. Een inzicht daarin kan verkregen worden uit de samenvattingen in de rapportage van C. van Rij en W.H.J. Stam, de twee Nederlandse juristen die in opdracht van de Nederlandse regering in het najaar van 1949 (bijna drie jaar na de zuiveringen in Zuid-Celebes) een ‘niet-justitieel onderzoek’ uitvoerden naar ‘de aard en omvang van de gepleegde excessen en de maatregelen die daartegen genomen zijn’. Hun rapportage, die in feite beperkt is tot de Zuid-Celebes-affaire, is gebaseerd op de inzage van rapporten uit dat gebied over die periode en uit gesprekken met betrokkenen, o.a. met Westerling van wie de rapporteurs overigens een uitgesproken gunstig beeld schetsen. Het rapport geeft een indringend beeld van de extremistische terreur die het lokale gezag in een onhoudbare positie had gebracht. Ter illustratie de volgende overgenomen tekstfragmenten:

 “Het doel van deze geheime strijd is doormiddel van moord naar vermogen verstoring te brengen in de strategie en veiligheid van de vijand” – “Overal sluipmoorden te plegen op personen, die de vijand steunen.” (Uit een buitgemaakt document).

“Op een lijst van 481 door de extremisten in de afdeling Djenoponto tussen Juli 1946 en Juli 1947 vermoorde personen komen, voor zover leeftijd is aangegeven, voor: één van één jaar; één van anderhalf jaar; één van 7 jaar; drie van 8 jaar; twee van 9 jaar; twee van 10 jaar; twee van 14 jaar en acht van 15 jaar.

Hamzah, patjalla van het zelfbestuur van Goa, Soengoeminusa, verklaarde op 13 Juli 1947, na melding gemaakt te hebben van de eerste moord in Batoea, op de kepala (dorpshoofd) van Batoea gepleegd, over de terreur het volgende:

In October (nl. 1946) werden 8 mensen van de politiekampong in Limboeng onthoofd en “ditjingtjang” (met kapmessen aan stukken gehakt). Tussen October en Januari zijn 123 moorden gepleegd, waaronder ook vrouwen en baby’s. Ze begonnen van Polombangkeng uit. Een andere bende werkte van hieruit in de richting van Polombangkeng. In September 1946 is vermoord de Gelareng van Pantjambeang op weg naar Malino. Hij is met zijn hele familie, 18 mensen, uitgemoord (doodgeschoten en doodgestoken). Wij gingen erheen en werden beschoten. Een nieuwe Gelareng werd aangesteld en op 26 December met zijn hele familie vermoord: 7 mensen (ook kinderen) Ik heb zelf ook eens een lijk gezien van een zwangere vrouw: hoofd, armen en benen afgehakt en met een bamboe door de buik was het lijk opgehangen aan een boom… . De meeste moorden zijn gepleegd in Malakadji. In kampong Kandjilo is een put ontdekt met 80 koppen. De adjunct Djaksa heeft deze gezien. Gisteren is er weer een lijk in een put ontdekt. Gegevens komen nu nog steeds binnen . In dit ressort zijn minstens 500 mensen gedood door extremisten.”

Dit zijn enkele fragmenten uit een waarschijnlijk verre van volledig rapport.

De lokale politionele en militaire eenheden zagen zich voor een onmogelijke taak gesteld. De lokale overheid zag zich geconfronteerd met een sociale en economische desintegratie. De hoogste gezagsdragers uit Zuid-Celebes rapporteerden in persoon en mondeling deze noodtoestand bij Van Mook. In overleg met de hoogste civiele en militaire gezagsdragers en in aanwezigheid van leden van de Commissie Generaal besloot Van Mook de formeel nog in opleiding zijnde specialistische antiterreureenheid, het zgn. Depot Speciale Troepen dat onder commando stond van de in Engeland als commando opgeleide antiterreurspecialist Westerling, in te zetten. Westerling kreeg opdracht zich met het DST naar Zuid-Celebes te begeven ‘om daar de opleiding van het DST voort te zetten’. Er werden formeel geen specifieke opdrachten op papier gezet. Van Mook en Spoor kenden Westerlings ideeën en Westerling begreep wat er van zijn DST verwacht werd. Westerling stuurde een gemengde deels inheemse verkenningseenheid in burger vooruit die zoveel mogelijk gegevens verzamelde over het hoe, hoeveel en waar van de terroristische organisatie, Na aankomst van de ‘hoofdmacht’ werd met overvallen in de late nanacht, kampong na kampong gezuiverd van terroristen, van wie de namen door de verkenningseenheid waren verzameld. Deze terroristen werden ter plekke geëxecuteerd (500 executies op een door Westerling bijgehouden lijst). Het DST fungeerde met een bijna chirurgische precisie en effectiviteit. Tot verbazing van de lokale overheid en de lokale bevolking kwam vervolgens het maatschappelijk en economisch leven dat bijna stil gevallen was weer op gang en herstelde zich. De rapporten spreken van een door de hele samenleving ervaren grote opluchting.

Eerherstel voor Westerling

In een situatie als boven geschetst, waarin de formele bevoegdheden en het formele recht evident ontoereikend zijn, kan een overheid twee dingen doen: Er met de rug naar toe gaan staan en hopen dat het vanzelf overgaat. Of over zijn formele bevoegdheden heen stappen en ingrijpen omdat de plicht de onderdanen te beschermen tegen terreur zwaarder wegen moet dan de letter van de wet. Van Mook besloot tot het laatste en is daar in zijn brede functionele omgeving door niemand op aangesproken, ook niet door de Commissie Generaal (Schermerhorn c.s. die als ministers zonder portefeuille de regering vertegenwoordigden).

De inzet van het Depot Speciale Troepen werd een spectaculair succes maar Westerling was geen initiatiefnemer maar uitvoerder in opdracht van. De publieke opinie die de morele rekening voor deze ‘excessen’ bij Westerling neerlegt begaat daarmee een onrecht: Het initiatief om het DST naar Zuid-Celebes te sturen kwam van het hoogste regeringsniveau en daar bestond een generaal inzicht in de werkwijze van het DST, operationele details hoefde men niet te weten. De kritiek naderhand, van o.a. de jurist Belinfante, dat het DST ‘zonder enige rechtsgrond, optrad als ‘openbaar ministerie, rechter en beul’ is de kritiek van een letterknecht die iets waarneemt dat niet past in de voor hem vertrouwde context: ‘Inlanders die op grote schaal door andere inlanders worden afgeslacht? Om dat te stoppen mag je toch niet de wet overtreden?’ Alsof aan een overheid die toeziet hoe dagdagelijks zijn onderdanen op de meest gruwelijke wijze worden vermoord, de morele vrijheid toekomt om op z’n handen te gaan zitten en de andere kant op te kijken! Natuurlijk trad Westerling op als rechter en uitvoerder van zijn eigen vonnissen (met zijn verkennersgroep als OM) maar datzelfde verwijt kun je maken bij elke door het ondergrondse verzet in ’40 – ’45 uitgevoerde liquidatie. Er bestaan situaties waarin het geschreven recht niet toereikend is.

Deze feiten, omstandigheden en argumenten behoren zo langzaamaan opnieuw genoegzaam bekend te zijn nadat ze in de periode na de excessennota weer uit de publieke belangstelling waren weggezakt. Daarbij blijft er een gevoel van onbehagen zolang de reputatie van Westerling besmeurd voortbestaat. De Nederlandse overheid is in deze moreel verplicht tot een vorm van postuum eerherstel.